Reactie Van Dam op motie over POR-regeling

Download deze brief in PDF formaat


De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal
Binnenhof 4
2513 AA DEN HAAG

Datum: 21 februari 2017
Betreft: Gevraagde reacties op vier ingediende moties

 

Geachte Voorzitter,

Op 14 februari jl. heeft uw Kamer mij verzocht geïnformeerd te worden op vier moties die uw Kamer heeft aangenomen bij de stemmingen over de moties Landbouw- en Visserijraad (VAO op donderdag 9 februari). Bij dezen voldoe ik aan dat verzoek van uw Kamer.

1. Gewijzigde motie-Lodders/Geurts over het schrappen van het besluit om de ontheffingen voor varkens- en pluimveehouders niet te verlengen (21501-32, nr. 969)

De motie gaat over de aankondiging om de ontheffingen die in het verleden zijn verstrekt in het kader van de Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet (POR-regeling) en die geldig zijn tot en met 31 december 2017 niet te verlengen na die datum (Kamerstuk 33037, nr. 189). De regering wordt verzocht het niet verlengen van ontheffingen in het kader van de POR-regeling geen onderdeel te laten zijn van het maatregelenpakket 2017 en hierover te besluiten in het kader van de evaluatie Meststoffenwet in overleg met de betrokken sectoren.

In mijn brief van 3 februari 2017 heb ik aangegeven dat het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017 bestaat uit drie maatregelen, te weten het voerspoor melkveehouderij, fosfaatreductie door zuivelondernemingen en reductie van de melkveestapel en dat deze maatregelen beogen de fosfaatproductie in 2017 met 8,2 miljoen kilogram te reduceren.

Daarnaast heb ik in deze brief aangekondigd de POR-ontheffingen die vervallen na 31 december 2017 niet te zullen verlengen. In het debat met uw Kamer op 9 februari jl. heb ik nader toegelicht geen ruimte te zien voor verlenging van de ontheffingen. Zowel in de brief als in het debat heb ik betoogd tijdig duidelijkheid te willen geven aan ondernemers.

Ik zal het overleg met de varkens- en pluimveesector (NVV, NVP en LTO) vervolgen en ben bereid in het najaar opnieuw te bezien of er ruimte is voor verlenging van de POR-ontheffingen. In die afweging zal ik de resultaten van de evaluatie Meststoffenwet betrekken. Ik merk daarbij voor de volledigheid en duidelijkheid in de richting van de ondernemers op dat ik op dit moment geen ruimte zie voor een verlenging van de ontheffingen.

2. Motie-Ronnes c.s. over een uitzondering voor 2018 voor het discarden van schol in de gerichte tongvisserij (21501-32, nr. 965)

De motie verzoekt de regering voor 2018 een uitzondering te verkrijgen voor het discarden van schol in de gerichte tongvisserij, en onderwijl onderzoeken naar hoge overleving van schol te ondersteunen en daarvoor met voorrang dierproefvergunningen af te geven,

Ik maak mij ook zorgen over de invoering van de aanlandplicht voor schol in de gerichte tongvisserij. De bijvangsten van ondermaatse schol zijn erg hoog in deze visserij en invoering van de aanlandplicht zou daarmee een grote impact hebben. Het toont in mijn ogen ook aan dat er nog grote stappen gezet moeten worden in de gerichte tongvisserij waar het gaat om verbetering van selectiviteit en overleving. Ik begrijp ook dat deze veranderingen niet nog dit jaar verwacht kunnen worden en zal dan ook alles in het werk stellen om samen met de andere betrokken lidstaten naar een oplossing te zoeken voor bijgevangen schol in 2018.

Dit zou iets meer lucht geven, maar ik wil de sector op het hart drukken om dat eventuele extra jaar optimaal te benutten voor het zoeken naar oplossingen op het gebied van zowel hogere overleving als een hogere selectiviteit, en daarbij gevoelige keuzes en het loslaten van de status quo niet te schuwen.

Het heeft voor die zoektocht niet geholpen dat in november jl. de vergunning voor de overlevingsproeven is afgekeurd. Dit heeft enige vertraging opgeleverd, maar kan tegelijkertijd niet de enige reden zijn dat we nu nog weinig in handen hebben om een uitzondering op de aanlandplicht vanwege hoge overleving te onderbouwen. Kort na de afwijzing in november heeft er overleg plaatsgevonden tussen de aanvrager en de Centrale Commissie Dierproeven, zodat een verbeterde aanvraag kon worden ingediend. Dit heeft geleid tot de afgifte van de vergunning voor de overlevingsproeven op 17 februari jl., waardoor de sector nu snel aan de slag kan met aanpassingen voor een hogere overleving in de gerichte tongvisserij.

3. Motie-Ronnes/Geurts over een tijdelijke oplossing voor vrije-uitloopeieren (21501-32, nr. 966)

De motie verzoekt de regering er bij de Europese Commissie op aan te dringen om op korte termijn met een tijdelijke oplossing te komen voor vrije-uitloopeieren en voor de lange termijn te pleiten voor een uitzondering voor overmacht zoals bij biologische eieren.
Deze motie is reeds in uitvoering. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brieven aan uw Kamer van 27 januari en 10 februari 2017, heb ik meermaals bij de Europese Commissie aangedrongen op een korte termijn oplossing voor de vrije-uitloopeieren. Mijn verzoek aan de Europese Commissie voor een incidentele derogatie van de 12-weken termijn (en tevens een lange termijnoplossing) is als apart agendapunt op de Landbouwraad van 23 januari jl. besproken. Tevens heb ik begin februari in een gesprek met Eurocommissaris Hogan nogmaals gepleit voor een derogatie. In dat gesprek heeft de Commissaris aangegeven dat hij niet kiest voor deze kortetermijnoplossing, omdat daarmee het consumentenvertrouwen wordt geschaad. De Commissaris heeft dit ook in een brief aan het Europees Parlement bevestigd. Wel wil hij werken aan een structurele oplossing. Hij heeft aangegeven dat hij hier snel mee wil starten. Op ambtelijk niveau heeft Nederland hierover inmiddels met de Europese Commissie overlegd. De Europese Commissie heeft Nederland gevraagd concrete voorstellen in te dienen. Dat verzoek heb ik opgepakt. In overleg met sectorpartijen werk ik momenteel aan concrete voorstellen die een structurele oplossing bieden voor deze problematiek.

4. Motie-Dijkgraaf/Geurts over ruimte voor de sector om de alternatieve registratiemethode e-CMR te gebruiken (21501-32, nr. 967)

De motie verzoekt de regering in overleg met de sector ruimte te bieden via de alternatieve registratiemethode van e-CMR, die te borgen en tot dat moment de AGR/GPS-plicht niet te handhaven.

Ik heb eerder aan uw Kamer aangeven open te staan voor technische innovaties die een alternatief kunnen zijn voor de technieken waar de regelgeving nu op is gebaseerd, maar dat ik pas ruimte kan bieden aan alternatieve instrumenten als deze minimaal dezelfde mate van betrouwbaarheid opleveren als het huidige AGR/GPS-systeem en dat het de verantwoordelijkheid is van betrokken sectorpartijen om die betrouwbaarheid in voldoende mate aan te tonen (Kamerstuk 33037, nr. 187).

Er is al geruime tijd overleg tussen het ministerie en verschillende sectorpartijen over de mogelijkheid om e-CMR als alternatief voor AGR/GPS te erkennen. Cruciaal is dat sectorpartijen aantonen dat e-CMR de doelen van de regelgeving afdoende kan waarborgen. In opdracht van de ontwikkelaars van e-CMR is de betrouwbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van e-CMR beoordeeld. De bevindingen staan in een vertrouwelijke rapportage, die mij is aangeboden. De indiener van de motie verwees hiernaar. Op basis van dit rapport concludeer ik dat de betrouwbaarheid van e-CMR nog onvoldoende is geborgd en dat het systeem nog teveel mogelijkheden bevat voor manipulatie van gegevens. Het rapport bevat aanbevelingen voor de ontwikkelaars van e-CMR om de gesignaleerde risico's te verkleinen. Naast het oplossen van deze technische kenmerken van e-CMR moet worden beoordeeld of en hoe de handhavende diensten de handhaving ook op dit nieuwe instrument kunnen baseren. Ik ben bereid daaraan te werken, maar het is nu te vroeg om definitief te bepalen dat en wanneer e-CMR als alternatief voor AGR/GPS kan worden toegestaan.

Het invoeren van de AGR/GPS-verplichting is van groot belang om fraude bij de export van vaste mest te kunnen tegengaan. De sector is er al geruime tijd van op de hoogte dat de verplichting per 1 januari 2017 zou worden ingevoerd. En ik ben, omdat de benodigde wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm) pas op 17 december 2016 is gepubliceerd, ondernemers tegemoet gekomen door in de periode tussen 1 januari en 1 maart niet handhavend op te treden. Gezien het belang de AGR/GPS-verplichting, de inspanning die veel ondernemers al hebben gedaan om aan die verplichting te voldoen en de onzekerheid over de termijn waarop e-CMR als alternatief kan worden toegestaan anderzijds, zal ik de AGR/GPS-verplichting vanaf 1 maart 2017 handhaven.

 

(w.g.) Martijn van Dam
Staatssecretaris Economische Zaken